Hoelang nog goedkope olie? – Ben Vanheukelom

Hoelang nog goedkope olie? – Ben Vanheukelom.

 

Eind vorig jaar beslisten de olie-uitvoerende landen om hun productie niet te verlagen, met als gevolg dat de olieprijzen daalden. Goed nieuws voor Europa. Goed nieuws ook voor de doorsnee consument. Maar slecht nieuws voor landen en bedrijven die olie oppompen voor een steeds hogere prijs.

Rusland, Venezuela, Canada, BP, Shell en nog een half dozijn andere bedrijven, ze kreunen onder deze lage prijzen. Maar achter dit verhaal van lage prijzen loert een nieuwe crisis. Een nieuwe economische zeepbel die we na de bankencrisis van de voorbije jaren kunnen missen als kiespijn.

Het heeft allemaal te maken met twee eenvoudige wetten uit de fysica waar de economie tegen aanhikt. De ene wet gaat over de bodem, de grond; de andere over de atmosfeer.

Eerste wet: Ontginnen: hoe dieper hoe duurder

Elke mijn raakt uitgeput. Overal in de wereld zien we de littekens van verlaten mijnen die ooit tin, koper, ijzer, of steenkool bevatten. Bij olie (of gas) is het net hetzelfde. Ooit waren de Verenigde Staten de grootste olieproducent ter wereld tot de belangrijkste bronnen uitgeput raakten in 1970.

Hoelang een olieveld (verschillende bronnen in dezelfde buurt) meegaat, is de vraag van een miljoen. Een groot olieveld gaat minstens 50 jaar mee. Kleinere velden gaan veel minder lang mee. Na een paar jaar van ontginnen houden de ingenieurs een bepaald productieniveau aan. Na verloop van tijd neemt de druk af in de bron en kost het steeds meer energie en moeite om olie boven te halen.

Uit een oliebron wordt meestal maar 30 tot 40 procent gewonnen. De rest blijft in de grond zitten. Je kan die technisch gesproken nog wel bovenhalen. Maar dat kost zoveel dat het sop de kool niet waard is. Tenzij je 300 dollar veil hebt voor een vat ruwe olie. Van de 65 grootste oliebronnen zijn er 54 over hun hoogtepunt. In het verleden werd die dalende productie gecompenseerd door het ontginnen van nieuwe oliebronnen. Maar ook de hoogdagen van de ontdekkingen zijn achter de rug. Na 1965 zijn er geen echt grote bronnen meer ontdekt.

Niettemin is de vraag naar olie altijd blijven stijgen. In het jaarrapport van 2012 van het Internationaal Energie Agentschap, een van de belangrijkste energiedenktanks ter wereld, staat dat om aan de dalende olieproductie tegemoet te komen er om de drie jaar evenveel extra olie nodig als Saudi-Arabië produceert. Vandaar de koortsachtige pogingen om olie op te halen op zeer ontoegankelijke plaatsen. Olie op zeer grote diepte onder de zee, olie aan de rand van de Noordpool, olie uit teerzanden zoals in Canada, of olie uit gesteente (schalieolie) zoals in de Verenigde Staten. Deze verschillende onconventionele bronnen hebben de laatste 10 jaar de tekorten op de oliemarkt kunnen opvangen. Maar die tijd lijkt voorbij.

Schalieolie: de nieuwe zeepbel?

Het Internationaal Energie Agentschap verwacht dat schalieolie in de Verenigde Staten nog een jaar of 10 rendabel blijft. Maar steeds meer geologen vinden deze inschatting veel te optimistisch. David Hughes, die 32 jaar voor het Canadees Geografisch Instituut werkte, heeft zowat het meest uitgebreid onderzoek gedaan naar de schalie-industrie in de Verenigde Staten. Zijn conclusie is duidelijk.

Om gas en olie uit gesteente te halen heb je bijzonder veel grondstoffen nodig zoals water en chemicaliën, plus bijzonder veel energie om het gesteente onder druk te kraken (“fracking”). Daarnaast heb je veel ruimte nodig om het verontreinigde water te stockeren en riskeer je nog het grondwater te vervuilen of grondverzakkingen te veroorzaken. Bij de winning komt ook methaangas vrij, een broeikasgas dat tientallen keren krachtiger is dan CO2.

Maar het grootste bezwaar tegen schaliegas en -olie is de levensduur van een bron. Gedurende de eerste drie jaar slinkt een schalieoliebron 60 tot 90 procent. Om het productiepeil op niveau te houden, moet je dus steeds meer bronnen aanboren. Hughes schat dat voor de grootste velden in de VS (Bakken en Eagle Ford) er jaarlijks 1542 extra bronnen bij moeten komen om de olieproductie op peil te houden. Geschatte kosten: 14 miljard dollar.

Daarnaast is een olieveld ook heel divers qua aanbod. Op de ene plek zit er meer olie dan op de andere. Doorgaans worden eerste de beste, meest rendabele plaatsen aangeboord, de zogeheten “sweet spots”. Dat maakt dat een veld aanvankelijk meer opbrengt en dat na het ontginnen van de sweet spots er weer meer geboord moet worden.

Het is een tredmolen die steeds sneller moet draaien. Olie- en gasontginners kunnen daarbij rekenen op renteloze leningen en rommelkredieten van de overheid. Daarnaast zijn er de zeer optimistische prognoses over de gas- en oliereserves die investeerders moeten lokken. Zo moest het Amerikaanse Energie-Informatie-Agentschap haar eerste prognose voor het olieveld van Monterey in Californië met 96% verlagen, toen bleek dat de opbrengst ver onder de verwachtingen bleef.

Voor Hughes is het duidelijk dat deze spiraal van leningen en investeringen niet lang houdbaar is. Hij verwacht dat de schaliezeepbel over hooguit een paar jaar uiteenspat.

Saudi-Arabië: hoelang nog de stille kracht(bron)?

De grootste olieproducent van de wereld is Saudi-Arabië. Het land produceert meer dan Iran, de Verenigde Arabische Emiraten en Koeweit te samen. Binnen de OPEC, de organisatie van olie-uitvoerende landen, is Saudi-Arabië een oliereus. Bovendien is het land gezegend met een gemakkelijke bodem die het boren naar olie relatief eenvoudig en goedkoop maakt. Jarenlang hoefde Saudi-Arabië maar met de vingers te knippen om te voldoen aan de stijgende vraag op de oliemarkt en om de prijzen naar zijn hand te zetten.

De beslissing in november van de OPEC-landen om de productie niet te verlagen, is een manoeuvre van de Saudi’s om de concurrentie van schalie- en diepzeeolie een hak te zetten.

Toch zijn er tekenen van verval. Het grootste olieveld van Saudi-Arabië is Ghawar, goed voor 5 van de 9 miljoen vaten per dag. Maar midden jaren 2000 waarschuwde Al Housseini, een Saudische ex-olietopman, al voor een terugval. Bij een oud olieveld vermindert de druk van de olie. Om die op peil te houden, wordt water geïnjecteerd. Bij Ghawar is dat zo’n 7 miljoen liter zeewater per dag. De vloeistof die wordt opgepompt bestaat voor een derde uit water. Dat is wellicht niet abnormaal voor een veld dat al meer dan 60 in dienst is. Maar geruststellend is het ook niet.

In 2011 maakte Wikileaks vertrouwelijke documenten over Saudi-Arabië openbaar. Al Housseini liet daarin verstaan dat de Saudische velden in 2012 hun piek bereiken. De Saudi’s zouden daarom ook rekenen op buitenlandse steun voor kerncentrales en zonnepanelen om de stijgende binnenlandse vraag naar energie op te vangen. Dat was toen.

Drie jaar later maakte staatsoliebedrijf Aramco bekend dat het 400 miljard dollar uittrekt om de dagelijkse olieproductie van 12 miljoen vaten te blijven garanderen en om de gasproductie te verhogen. Volgens topman Khalid Al Falih zijn de productiekosten voor een vat ruwe olie in 10 jaar tijd verdubbeld. Hij maant de olieproducenten dan ook aan om meer te gaan investeren, anders dreigt er een tekort.

Grote oliemaatschappijen hebben de laatste 10 jaar net het omgekeerde gedaan. Zij zagen hun productiekosten voor een vat olie nog meer stijgen dan de Saudi’s, terwijl de productie daalde. Daardoor hebben ze minder geïnvesteerd in nieuwe ontginningen en exploraties. Ze hebben ingezet op herstructureringen, overnames en op het uitbetalen van hun aandeelhouders. Hierover zegt Frederic van Parijs van ING het volgende: “Het rendement is aantrekkelijk, maar fundamenteel zijn het zwakke bedrijven, de winsten zijn lager vandaag dan toen de prijs voor een vat olie nog 25 dollar bedroeg.”

Tweede wet: Hoe meer broeikasgassen, hoe warmer de aarde

De meeste wetenschappers zijn het erover eens dat de temperatuur op aarde stijgt door de steeds grotere hoeveelheden broeikasgassen in de atmosfeer. De politieke wereld bleef lange tijd met de hakken in het zand staan. Maar op de klimaatconferentie van 2009 in Kopenhagen beslisten alle landen om de temperatuurstijging deze eeuw onder de 2 °C te houden om de ergste gevolgen van de opwarming van de aarde te vermijden. De gevolgen van dit akkoord zijn bijzonder verstrekkend.

Gestrande investeringen

De Britse geoloog-gastdocent-ondernemer Jeremy Leggett kwam op het idee om met een aantal financiële experts een barometer op te stellen over de geldstromen naar fossiele brandstoffen. De Carbon Tracker, of koolstofbarometer. De barometer brengt in kaart hoe groot de investeringen zijn in steenkool, olie en gas en welke CO2-uitstoot die investeringen veroorzaken. We weten hoeveel CO2 we nog mogen uitstoten om de stijging van de temperatuur onder de 2 °C te houden. Als de investeringen die limiet overschrijden, zijn ze in principe waardeloos. Vandaar de naam “gestrande investeringen”. De koolstofbarometer is dus een spiegel die aangeeft of we nog op koers zitten om onder 2 graden te blijven.

De Financial Times deed de Carbon Tracker in 2011 af als onzin. Maar twee jaar later waarschuwde het Internationaal Energie-Agentschap in haar jaarrapport voor gestrande investeringen ter waarde van 300 miljard dollar. Directeur Maria van der Hoeven voegde eraan toe dat als we klimaatmaatregelen gaan nemen, 50 tot 80 procent van de beschikbare oliereserves in de grond moet blijven.

Op basis van de barometer hebben al verschillende organisaties hun pensioenfondsen naar een bank overgeheveld die niet investeert in fossiele brandstoffen. De Bank of England heeft het idee ter harte genomen en onderzoekt nu ook welke banken te veel aan het investeren zijn in fossiele brandstoffen.

Op de VN-klimaatconferentie in Lima klonk de roep om de geldstromen af te leiden van fossiele brandstoffen steeds luider. In december 2015 is het aan de staatshoofden en regeringsleiders om op de VN-klimaattop van Parijs knopen door te hakken.

Ben Vanheukelom is wetenschapsjournalist bij VRT-nieuws.