De Friese mediacoöperatie als antwoord – Opinie – Villamedia

De Friese mediacoöperatie als antwoord – Opinie – Villamedia.

 

De Friese mediacoöperatie als antwoord

vrijdag 12 december 2014

Journalisten moeten hun eigen toekomst regisseren, zei hoogleraar Jeroen Smit tijdens zijn oratievorig jaar. Bert de Jong, voorheen adjunct-hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant pakt de handschoen op, vertelde hij tijdens het Sieperda-symposium Tresoar Leeuwarden op 12 december. Het start een Friese mediacoöperatie en wil zo publiek en journalisten opnieuw met elkaar in contact brengen.

,,De wereld is groot, maar zij begint in de straat voor het huis’’, verkondigde Laurens ten Cate, hoofdredacteur van de Friese Koerier, tot 1969 een zelfstandig regionaal dagblad dat vooral in de dorpen en gehuchten in het zuidoosten van Friesland zo’n 20.000 lezers en heel veel meelezers had. De Friese Koerier was een gids, of in de woorden van Ten Cate, ,,een poging enige orde aan te brengen in de chaotische stroom van feiten die de moderne wereld oplevert’’.

Zijn credo is nu nog geldend. Op internet is een overvloed aan informatie beschikbaar. Het is de kunst om deze op te sporen, te wegen, te analyseren, te presenteren, te duiden en uiteindelijk ter be- of veroordeling voor te leggen.  Niet iedere burger kan dit, wil dit of heeft er de tijd voor. Journalisten kunnen dit wel, als geen ander.

Het is meer dan voorheen een taak, plicht en verantwoordelijkheid van de overheid om hier te faciliteren, te steunen. Maar het is ook nadrukkelijk de samenleving die journalisten in staat moet stellen. Burgers kunnen niet afzijdig blijven met steun. Ook zij zijn verantwoordelijk voor de vitaliteit van hun eigen kostbare democratie.

De waakhondfunctie van journalisten is van grote waarde.  Zij zijn het die duistere praktijken aan het licht kunnen brengen, zij zijn het die onthullen, die de kleine werelden doen verbazen. Immers, telkens wordt weer duidelijk dat het anders is dan het lijkt dat het is. Maar zijn ze hiertoe nog in staat?

Kortgeleden promoveerde collega Kees Buys op onderzoek naar de spagaat van regioredacties. Een van zijn bevindingen is dat kennis en expertise van journalisten onvoldoende wordt benut. Het blijft hangen in de dagelijkse routine van wat de agenda te bieden heeft. De bronnen zijn vooral institutioneel, de stem van de bevolking klinkt amper door in berichtgeving.

Het door Buys geschetste beeld wordt overal herkend. En onmiddellijk klinken de excuses. Er is te weinig menskracht om onderscheidend te zijn. Er is een geknakte arbeidsmoraal door reorganisaties, er is werkstress. Wat er wel wordt gedaan is kolommen volgieten met woorden, zendtijd vullen en websites van content voorzien. Het meest vanachter het bureau. Dat is geen luiheid, maar gedwongen efficiënt produceren.

De journalist in de regio zien we minder bij een raadsvergadering. Het is een clichébeeld en het zegt niks. Het is niet erg, zo lang hij maar wel zicht houdt op het verloop van het democratisch proces in een gemeente. Erger is dat een journalist veel minder te zien is in stad en streek. Daar moet hij de mensen spreken, klankbord zijn voor inwoners van steeds grotere gemeenten die steeds meer taken krijgen, waarvan de complexiteit menig wethouder en raadslid boven de pet gaat.

,,Elke overheid’’, zei de onafhankelijke Amerikaanse journalist I.F. Stone in een documentaire die over zijn Stone’s Weekly werd gemaakt, ,,bestaat uit leugenaars, en je moet nooit iets geloven van wat ze zeggen.’’ Met dit in het achterhoofd moeten politici en bestuurders eens nadenken over de noodzaak van voldoende journalistieke slagkracht.

De gemeente Achtkarspelen heeft vorig jaar drie dagen een wethouderscrisis gehad, zonder dat een van de Friese media het heeft opgemerkt. Die drie dagen waren voldoende om de scherven te lijmen. Maar als er een journalist bij de raadsvergadering was geweest, dan zeker niet. Nu hebben de inwoners niet kunnen smullen van een politieke rel, terwijl de ruiten van de raadszaal bijkans uit de sponningen sprongen. Maar fundamenteler, waarover ging die politieke twist? Moet de samenleving dat niet weten?

Burgemeesters, zeker die van de grotere gemeenten in Friesland, zijn ijdel genoeg om volop in de schijnwerpers te staan. Maar het is toch vreemd dat een burgemeester van zo’n gemeente niet door journalisten wordt gekapitteld over beleidsfouten in zijn gemeente.  Dat zo iemand niet gewoon één keer per week op zijn mobieltje wordt gebeld om uitleg te geven over wat een journalist nu weer heeft opgediept. Hij wordt gewoon een heel jaar niet gebeld. Als het zo’n burgemeester verbaast, dan is er iets aan de hand.

Het zijn de voorlichters, van overheden en ook van bedrijven, die de wereld veel mooier voorstellen dan ie in werkelijkheid is. De lokale nieuwsbladen en ook regionale dagbladen bestaan bij de gratie van de persberichten van voorlichters. Zij maken er een competitie van hoeveel berichten ongewijzigd, gewoon met knippen en plakken, in de krant komen. Af en toe stoppen ze er een fout in. Gewoon, voor de lol. En ja, die komt dan ook in de krant.

De gemeente De Friese Meren heeft 5,5 fte beschikbaar voor voorlichting. In deze grote nieuwe gemeente met 51.000 inwoners verschijnen drie lokale nieuwsbladen. Er is dit jaar geturfd hoeveel vragen er zijn gesteld door de wakkere journalisten die hiervoor moeten spitten en graven. Gewoon, omdat een journalist spits had kunnen zijn, dus niet naar aanleiding van een persbericht. Het is in het hele jaar welgeteld één geweest.

—-

Journalisten zijn de ogen en de oren van de samenleving. Maar er zijn steeds minder onafhankelijk opererende journalisten in met name de regio. Reorganisatie volgt op reorganisatie. Juist deze week was weer een trieste met fors banenverlies bij NDC Mediagroep en Wegener. Het is het klassieke recept, waarbij directies ook keer op keer diep snijden in de journalistieke productie. Maar hier kom je aan de bloedstromen van een mediabedrijf. Het strookt ook niet met bekende managementprincipes. Excellente ondernemingen weten energie en talent uit mensen te halen, die zien werknemers als bron voor kwaliteit en productiviteit.
Alle mooie woorden ten spijt, er bestaat bij uitgevers amper zorg over journalistieke slagkracht in de regio. Journalistieke professie wordt vooral beschouwd als een kostenpost. Sinds de omslag vanaf het jaar 2000 wordt de samenleving al getrakteerd op somberte, omdat er aanhoudend onheilstijdingen zijn. De journalistiek zelf glijdt al die jaren van het ene rampjaar in het andere.

Om de ernst te schetsen: het aantal Nederlandse dagbladjournalisten daalde volgens opgave van de uitgevers sinds 2000 van 4500 tot 2900 begin 2014. Dan is het banenverlies dit jaar en de aangekondigde reorganisaties op de redacties van Persgroep, Wegener, Telegraaf-concern en NDC nog niet meegerekend. Dat zijn zeker 400 journalisten. Het zou betekenen dat in dit millennium de journalistieke slagkracht van dagbladen bijna is gehalveerd!

Er zijn hoofdredacteuren die durven beweren dat ze ondanks deze slachting nog dezelfde kwaliteit kunnen leveren als voorheen. Dat de lezers er niets van merken. Dit is echt onzin.
Lezers, kijkers en luisteraars laten zich niet foppen. De oplagedalingen of het inzakken van kijk- en luistercijfers zijn een overduidelijk teken. Een redactie is de ziel van een krant, een tijdschrift, een radio- of televisieprogramma of een website. Het is voor lezers, kijkers en luisteraars een genoegen als zij proeven dat ze te maken hebben met bevlogen journalisten die laten zien dat er moeite is gedaan, dat er is gepolijst tot het glimt. Dat ze zich verbonden voelen met creatieve vakmensen die betrouwbare, verrassende producties leveren waaraan zorg en aandacht is besteed, met journalisten die gedreven worden door waarden en overtuigingen, door passie.

Nu zit de klad in de krantenwereld. Kranten zijn minder vanzelfsprekend dan zij in de vorige eeuwen waren. Toen waren ze onmisbaar om de wereld van ver en die van dichtbij in de huiskamer te krijgen. Nu is het internet dat het een ieder mogelijk maakt om zelf de wereld naar zich toe te halen. Kranten verliezen ook het primaat als de belangrijkste nieuwsbron. Het is tekenend dat een regionale omroep die rol overneemt, daar waar tot ongeveer tien jaar geleden de kranten juist de belangrijkste gangmaker waren.

Feit is dat de klassieke modellen van kranten, radio en televisie hun beste tijd hebben gehad. Het is niet zo dat er over vijf jaar geen papieren kranten zullen bestaan. Maar het zijn er minder en er zullen meer dagbladuitgevers zijn die een zieltogend bestaan hebben. Totdat het niet meer kan. Totdat ook in Nederland, net als in de Verenigde Staten, meer kranten van de een op de andere dag niet meer verschijnen.  De gratis krant DAG was in 2009 een slachtoffer, Spits volgde dit jaar.

Kranten zijn mij dierbaar. Maar kranten zijn ook verworden tot een commercieel product in handen van managers die spreken over een contentfabriek. Kranten zijn voor deze mensen een verzameling artikelen, aangevuld met advertenties, waarvoor inmiddels een te dure prijs wordt gevraagd. Sinds 2000 is de prijs van een krant volgens het CBS 55 procent gestegen, veel meer dan de inflatie (38 procent) rechtvaardigt.
Hoe erg is het? Tot het bereiken van het nieuwe millennium wisten kranten zich knap overeind te houden. In het jaar 2000 was er in Nederland een betaalde oplage van bijna 4,5 miljoen kranten. Sinds 2000 is er sprake van een scherpe daling. Er zijn nog maar 2,6 miljoen adressen met een abonnement op een dagblad. Het zijn vooral de regionale titels die het zwaar te verduren hebben.

Hoe erg is het in Friesland? De Leeuwarder Courant, in zekere zin de oudste krant van Nederland, genoot rond de eeuwwisseling het beste van alle tijden met een betaalde oplage van 111.000. Nu zit het aantal abonnementen op de papieren krant nog net boven de 63.000. Het Friesch Dagblad heeft eind 2014 moeite om boven de 11.000 abonnees te blijven. In het jaar 2000 beloofden nog ruim 19.000 lezers trouw aan deze krant.

In ons land is het aantal adressen met een betaald abonnement in dertig jaar tijd gehalveerd. Met kunst- en vliegwerk proberen uitgevers de daling te keren dan wel de ernst te camoufleren. Kranten zijn daarom in de aanbieding. Neem De Telegraaf het grootste dagblad van Nederland.  U krijgt deze krant vier weken lang voor €14, een korting van bijna 50 procent. De Leeuwarder Courant trakteert aan het einde van het jaar. Vijf weken lang krijgt u de krant voor €10. Een besparing van 75 procent.

Het zijn allemaal verleidingen om het aantal abonnees op peil te kunnen houden. Dit is een helse klus voor uitgevers. Het kost veel inspanningen en geld om de abonnees te werven en nog meer om de abonnees te behouden. Ieder jaar wisselt ongeveer een vijfde deel van de abonneeschare. Zo blij zijn uitgevers niet met deze sprinkhanen, want ze komen en gaan. Ze zijn eerder een kostenpost.

—-

Het publiek bij traditionele podia als radio, televisie, kranten en tijdschriften vergrijst. Jonge doelgroepen kiezen voor andere mogelijkheden. ,,Mediaorganisaties, of ze nu een publiek of commercieel karakter hebben, dreigen te worden weggevaagd als ze niet zelf een antwoord vinden op de sterke veranderingen’’ waarschuwt Inge Brakman, voorzitter van de Commissie Toekomstverkenning Mediabestel,  in het dit voorjaar geleverde rapport over media. Het advies is indringend: ,,Media moeten zich opnieuw uitvinden, nieuw gedrag vertonen, behouden waar ze goed in zijn, maar dat vertalen naar de nieuwe tijd.’’

Tot voor kort is er een verdeling van hullie en zullie. Radio en televisie enerzijds en kranten en tijdschriften anderzijds. Goed beschouwd hebben de digitale snelwegen de radio- en televisiemakers de meeste nieuwe mogelijkheden geboden. Het is kort door de bocht voor omroepmensen veel gemakkelijker om een digitale krant te maken dan voor krantenbaronnen om radio en televisie in de lucht te brengen.  Feitelijk doet de NOS dit nu al wel met een veel ruimere presentatie van wat ze aan journalistieke waar in huis hebben. De verhalen blijven niet meer in de schatkamers.

Mediapartijen houden elkaar in gijzeling en leveren voortdurend twist over wat een publieke omroep nou wel of niet mag doen en of daar ook private partijen aan mee mogen doen. Zo schiet het dus niet op en zo blijft innovatie uit. De discussie, onder aanvoering van het Telegraaf-concern, over concurrentievervalsing is te verklaren, omdat uitgevers zo lang als mogelijk een verdienmodel overeind willen houden. Maar dat hoort niet de grootste zorg te zijn. Het werkmodel voor journalistiek is belangrijker.

Waar het mij om gaat is dat we bouwen aan de continuïteit van journalistiek. Waarbij er belangrijke publieke waarden worden geborgd als onafhankelijkheid, pluriformiteit, kwaliteit en toegankelijkheid van het aanbod voor iedereen.  Dit is het fundament.

Mooie woorden. Maar kan dat? Dat kan. Als we maar anders denken. Als we maar niet blijven denken: hoe kunnen we blijven doen wat we deden maar dan efficiënter en goedkoper. Als we maar niet denken: hoe kunnen we vooral zelf beter van worden. Anders denken is noodzakelijk om uiteindelijk een breed journalistiek aanbod van hoge kwaliteit en een groot bereik te realiseren. Anders denken is journalistieke kracht opnieuw te organiseren om zo te bereiken en te verbinden. Met zoveel mogelijk mensen in de samenleving, zonder hindernissen.

Professor Jeroen Smit riep vorig jaar in zijn oratie aan de Rijksuniversiteit Groningen journalisten op om zelf in actie te komen. Hij waste ze de oren, omdat ze zelf amper nadenken om zichzelf opnieuw uit te vinden. Slechts een kwart van de dagbladjournalisten gelooft dat er op tijd een oplossing is. Smit vergeleek ze met stokers die met een kolenschop op de elektrisch trein staan: ze verzetten werk waar niemand meer voor hoeft te betalen.

Ontkennen heeft geen zin meer. Het einde van de levenscyclus van papieren kranten is in zicht. De laatste grote investeringen in drukpersen zijn anno 2014 gedaan. Elke krantenbaas krabt zich duizend keer op zijn hoofd, eer hij hierin nog tientallen miljoenen euro’s steekt. Een digitale krant is een alternatief, maar uitgevers durven niet echt.

Het kan anders. Waarom ons laten dwingen tot een dagelijkse traktatie in de ochtend of middag. Een wereld zonder papieren kranten is veel goedkoper. Als een abonnee alleen zou betalen voor de huidige journalistieke kracht en niet voor drukken en bezorgen enzovoort, dan zou hij een derde van het abonnementsgeld kwijt zijn. Maar dan betaalt hij wel voor de essentie, journalistieke creatie.

In Fryslân. met 648.000 inwoners en 281.000 huishoudens, worden elke dag iets minder dan honderdduizend abonnees bediend met een regionale of landelijke krant. In bijna elk dorp zeulen een of meer bezorgers dagelijks met een tas kranten rond. Ze oogsten bewondering voor hun dagelijkse gang in weer en wind. Het uitgeven van kranten is een grote logistieke en economische operatie. Maar we moeten ook vaststellen dat het een kosten verslindende exercitie is.  Als we het opnieuw zouden moeten bedenken, dan was het niet dit.

In de kern heb je journalistieke kracht nodig. Journalisten hoor je niet te ontslaan, je moet ze verenigen en ze prikkelen om uit te blinken in onderscheidende producties. Als er nieuwe, bruisende organisatievormen tot leven komen waar journalisten hun energie en talent kwijt kunnen, waar werknemers worden gezien als bron voor kwaliteit en productiviteit, dan liggen er heel veel kansen.

Journalisten moeten worden uitgedaagd om nieuwe modellen te leveren.  Ze kunnen hun eigen uitgever zijn, waarmee ze ook voor de toekomst het auteursrecht behouden. Ze kunnen hun krachten bundelen in coöperaties om zo samen sterk te staan, om creativiteit te leveren. Daar worden zij gelukkig van en onze democratie vitaler.

Internet geeft aan heel veel journalisten de mogelijkheden om een bijdrage te geven. En hier komt het, de makers staan centraal, precies zoals dit voorjaar ook is geadviseerd voor de publieke mediadiensten. Wat wordt gedaan is het opnieuw organiseren van journalistieke kracht voor een zo groot mogelijk publiek. En inderdaad, het doel is niet per definitie continuïteit van de huidige instituties. Een wereld zonder kranten is denkbaar, een zonder journalisten niet.

Nederland heeft veel journalistieke kracht beschikbaar. Op basis van onderzoek van de Universiteit van Amsterdam mogen we uitgaan van een potentieel van 15.000 journalisten. Maar feit is dat heel veel capaciteit op dit moment onbenut blijft. Bijna 2500 journalisten staan als werkloos geregistreerd. Procentueel is de werkloosheid onder journalisten twee keer zo hoog als het gemiddelde van alle beroepsgroepen in Nederland.  We hebben het nog niet eens over de grote verborgen werkloosheid.

Met name sinds het uitbreken van de economische crisis is de werkloosheid onder journalisten sterk gestegen. De afgelopen tien jaar hebben reorganisaties bij uitgevers van kranten en tijdschriften en ook bij omroepen het verlies van vele honderden journalistieke banen veroorzaakt. Aan die negatieve spiraal zal ook de komende jaren nog geen einde komen. Waarmee ook duidelijk is dat het fundament van de journalistiek in Nederland steeds zwakker wordt.

Journalisten willen het liefst voor het leven journalist zijn. Dus ook als ze op straat zijn gezet, gaan ze door met datgene waar ze goed in zijn: het vertellen van verhalen, met woorden, beelden en geluid. Ze proberen het als kleine zelfstandige, gedreven door passie. Ze kijken niet op hun klok, rekenen niet in uren. Ze laten zich zelfs verleiden tot nieuwe slavenarbeid voor een tarief van twee cent per letter, de spaties meegerekend. Alsof we in de tijd zijn teruggekeerd van toen de dorpsonderwijzer een halve eeuw geleden honorarium kreeg als correspondent voor stad en streek.

Ieder jaar haakt een grote groep van deze gepassioneerde journalisten af. Ze zijn gedesillusioneerd, komen tot het inzicht dat het niet kan dat zelfstandige journalisten voor de inzet van heel veel tijd, kennis en expertise een gemiddeld jaarinkomen van €20.000 genieten. De meeste journalisten die het als zelfstandige proberen, stoppen binnen twee jaar, weet de journalistenvereniging NVJ.  Deze mensen kiezen eieren voor hun geld. Zij zijn niet langer de ogen en oren van de samenleving.

Een interim-manager die voor een krantenuitgever een gids moet zijn om uit de problemen te komen, rekent daarvoor tegenwoordig €200 per uur. Het is ook geen sinecure, om te bedenken op welke wijze het leven van krantenuitgevers kan worden gerekt. De complexiteit begrijpen we allemaal.

Het zal de reden zijn waarom aan de hand van deze arbeid steeds opnieuw de oplossing wordt gekozen die een ieder kan bedenken: reorganisatie om kosten te bezuinigen. Alle krantenuitgevers in Nederland hebben in de afgelopen tien jaar niets anders gedaan dan dat. De ene reorganisatie volgde op de andere, enkel om het leven te lengen, niet om te investeren in de toekomst. Steeds opnieuw was het onvoldoende om winst te maken of om voldoende de door aandeelhouders geëiste winst te maken. Maar waarom zo ploeteren zonder enig perspectief?

—-

Dames en heren, er is een grote urgentie. Ik roep u allen op mee te helpen de journalistiek te redden. Wat in de vorige eeuwen gold, geldt nu nog steeds. Men zoekt naar betrouwbare bronnen. De journalisten moeten aan de slag. Om het anders te doen. Ze hebben het te lang aan uitgevers overgelaten, maar die weten het antwoord niet.

In ieder mens schuilt een journalist. Elke burger heeft een verhaal, draagt iets mee wat hem raakt of weet van een misstand of schandaal. Hij vertelt erover in kleine kring, maar het liefst zou hij het willen delen met velen. Journalistiek is de creatieve kunst om deze verhalen te vertellen, in woord, beeld en geluid. We moeten dus verbinden.

Er is een uitdaging. Want er is een kloof tussen burgers en journalisten, terwijl zij juist elkaars bondgenoot zouden moeten zijn. De inwoners van Nederland hebben een laag vertrouwen in de pers, de uitkomsten van recent onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn weinig bemoedigend. Rechters en politie krijgen een hoge score van rond 70 op de schaal van 100. Maar de pers moet het doen met rond 30, de laagste score. Het wantrouwen tegen ambtenaren en Haagse politici is zelfs nog minder groot. Blijkbaar slagen journalisten er onvoldoende in om het vertrouwen van burgers te winnen, zijn ze in onvoldoende mate in staat de betrouwbare gids te zijn.

Is het wantrouwen onder de bevolking niet veelzeggend? Al die persberichten van overheid en bedrijfsleven komen niet van een betrouwbare bron, ook niet als ze daarna met knip en plak in van oorsprong gerenommeerde streekbladen en op websites staan. Zo’n 80 procent van al het nieuws is het rondpompen van hetzelfde nieuws, gratis voor een ieder beschikbaar.  Slechts 20 procent is onderscheidend, uniek.
Hoe komen die onderscheidende journalistieke producties weer tot leven?

Dat vraagt om het opnieuw stimuleren van onafhankelijke kwaliteitsjournalistiek, het opnieuw vinden van de waarde, kortom het opnieuw organiseren van journalistiek. Veel interessanter voor burgers, maar ook voor overheden is het om juist daarin geld te steken. Burgers maken een verbinding met journalisten en journalisten met burgers.
Prachtig voor een provincie als Fryslân om het dus anders te doen. Daar waar coöperatieve samenwerking boeren en burgers in de vorige eeuw geweldig vooruit heeft geholpen, kan dit opnieuw. Nu met journalisten en burgers. Internet maakt het mogelijk om directe lijnen te leggen, zonder uitgevers.

—-

Op deze dag is er gelukkig ook goed nieuws. We gaan het anders doen! We maken het concreet. We stoppen met spreken over de malaise in de media. Het zijn juist de journalisten die een antwoord geven. Het antwoord in het nieuwe jaar is de Friese Mediacoöperatie.

De Friese Mediacoöperatie biedt een podium aan journalisten die graag een fundament leggen voor professionele en pluriforme kwaliteitsjournalistiek. Er zijn nog ervaren journalisten die de ogen en oren van de samenleving kunnen zijn en jonge journalisten die het willen zijn. De samenleving mag deze journalistieke slagkracht niet verloren laten gaan. Dit zou een onvergeeflijke fout voor de toekomst zijn.

De Friese Mediacoöperatie helpt om nieuwe impulsen te geven aan journalistieke producties en de samenleving hierbij nauw te betrekken. Het gaat enkel en alleen om de essentie, namelijk journalistieke creatie en niet om ingewikkelde structuren of organisatie. Er zijn geen dure managers nodig. Geen adviseurs met een uurtarief van €200 die als een meeuw aan komen vliegen, veel onrust veroorzaken, het nodige wegpikken en snel weer zijn gevlogen. Maar inderdaad, ook geen grote logistieke organisatie voor abonnementen, drukken, distributie en bezorging.

Als 10.000 Friezen meedoen in een coöperatieve vereniging van journalisten en burgers, is er heel veel onderscheidende journalistiek mogelijk. Voor een bijdrage van bijvoorbeeld €50 per jaar, dat is een zesde van een abonnement op een krant, zetten burgers journalisten aan het werk, maar nog belangrijker, ze hebben ook zelf een stem, ze doen mee en ze helpen mee aan een goed geïnformeerde samenleving, jong en oud.

Wie roept om kwaliteitsjournalistiek, die zegt ook dat journalistiek een product van waarde is. In onderzoeken, spitten en napluizen zit soms dagen werk. Een journalist is een vakman, hij bezit veel kennis en expertise en hij kan verhalen vertellen. Zulke inzet is een goede prijs waard.

Met bijvoorbeeld €1 miljoen kun je heel veel onderscheidende journalistieke producties maken en die mag een ieder dan zien en lezen, onbeperkt. Het is dus niet voor een elite, maar de hele samenleving. Hoe meer mensen zo’n mediacoöperatie steunen, hoe meer journalistiek er gemaakt kan worden. Nou lijkt die €1 miljoen veel, maar het staat in schril contrast met de €100 miljoen die bijvoorbeeld NDC Mediagroep nu jaarlijks aan kosten kwijt is en waar onvoldoende inkomsten tegenover staan.

Het verfrissende is dat verenigde journalisten eindelijk een antwoord geven. Dat ze laten zien dat er andere mogelijkheden zijn om de 645.000 inwoners van Fryslân te bereiken en te verbinden. Het wordt tijd dat er mee begonnen wordt. Laat zo’n Friese Mediacoöperatie in 2015 bewijzen dat het anders kan. Met betrokken makers en lezers die een passie delen. Omdat journalistiek uit het hart komt en journalistiek mensen moet raken.

Stop te spreken over verdienmodellen, dit smoort elke innovatie. De provincie Fryslân heeft dit in ieder geval goed begrepen. Daarom is er uit het provinciaal Mediafonds deze week een subsidie van €75.000 toegekend om journalisten een kans te geven zichzelf opnieuw uit te vinden, om moed te verzamelen , het vertrouwen in zichzelf te vinden en aan de slag te gaan.

Het is geld en morele steun, om een werkmodel te maken om datgene te doen waar ze goed in zijn. Ze doen het nu, voordat het te laat is. Het vertellen van verhalen is het fundament, in woord, beeld en geluid. In Fryslân gaan journalisten tegels lichten, wroeten, ze gaan zelf de journalistiek opnieuw organiseren.

Auteur: Bert de Jong